|
Messtins |
Omdat ik het alsmaar kouder krijg in die zandput, ga ik staan en begin te
springen. Vervolgens maak ik kniebuigingen. Dat helpt wel wat, maar ik moet
daarmee ophouden van de sergeant. Anders word ik opgemerkt door de vijand...
Tegen een uur of elf krijg ik 'nachtvoeding' uitgereikt in de vorm van een overlevingspakket.
Een chocoladereep die zo wit uitgeslagen is, dat ie licht geeft. Hij smaakt
naar 1955, een mix van chocolade, mottenballen en beschimmeld brood voor het
paard van boer Braat. Ik krijg ook een ovaal blik met een koude hap en een
doosje met een of andere naar spiritus ruikende brand-gel. Daar moet ik dat
grote ovale blik mee opwarmen. Ik heb geen lucifers of een aansteker, want ik
rook niet. Van mijn buurmaat krijg ik een doosje lucifers toegeworpen. Met mijn
zakmes maak ik het kleine ronde blikje open en steek de gel aan. Het vlammetje
geeft zowaar wat gezelligheid in de donkere put. Van het grote ovale blik
probeer ik de tekst op het deksel te lezen. Maar daar geeft het vlammetje te
weinig licht voor. En eigenlijk mag er helemaal geen licht gemaakt worden,
vanwege de vijand..... Na een halfuur opwarmen boven het vlammetje, wil de prut
in het blik nog steeds niet gaan koken. Er komt in deze koude nacht niet eens
damp vanaf. Mijn maag knort behoorlijk. Ik besluit toch maar te gaan eten van
dat spul. Als ik een hap neem, probeer ik achterhalen wat ik in mijn mond heb.
Het is een soort prutbal met een ondefinieerbare smaak. Ik laat mamma's
kookkunst in mijn gedachte voorbij komen, maar ik herken niets. Ik krijg wel
telkens flitsen van boer Braat door mijn hoofd. Ik besluit het deksel te
bewaren tot het licht is, om te zien wat ik naar binnen geslobberd heb. Ik moet
er wel veel van boeren. Niet te hard, want anders hoort de vijand het. Het
afval moeten we inleveren. Ook vanwege de vijand. Ik heb het koud en ga daarom
ver ineen gedoken onder in mijn schutterput op het bankje zitten.