Posts tonen met het label Parate hap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Parate hap. Alle posts tonen

De .50

 Meestal stond op de YP 408 een .30 gemonteerd als boordgeschut. Maar er hoorde standaard een groter wapen op, de .50.

Schietoefeningen LAW

Op het oefenterrein in Anloo leerden we met onze persoonlijke wapens omgaan. Later schoten we ook in de buurt van Assen, op De Witten. In de Harskamp werd ook geoefend, maar daar konden we ook met de Mag en de antitankwapens (LAW en TLV) schieten. Zelf heb ik daar met de LAW geschoten op een roestbruin kadaver van een tank. Het was een interessante ervaring om met zo'n terugstootloos wapen te mogen schieten. De LAW kon maar één keer afgeschoten worden.

In gepeins verzonken

Gewoonte getrouw gaat pas in de maand oktober bij ons de centrale verwarming weer aan het werk. Maar het is vandaag toch erg koud. Of is de overgang van het weer erg groot?
Koud dus. Vandaag luisterde ik naar een nummer van The Marmalade, Reflections of my life. Het bracht me terug naar die steenkoude oefening in het voormalig West Duitsland, in Sennelager. December 1969 - januari 1970, bivakkeren in een tentje. Sneeuw, koude nachten en natte kleding. Brrr! We bevonden ons midden in de Koude Oorlog compleet met een serieuze dreiging van een nucleaire aanval en de aanwezigheid van ultra linkse terreurgroepen. In Vietnam woedde al jaren een oorlog. Daaraan werden we herhaaldelijk herinnerd. Als dienstplichtig militair voelde ik me klem zitten tussen 'het vaderland dienen' en de vredesbewegingen. Het was toen voor het eerst dat ik eens goed nadacht over mijn situatie. Over mijn leven, mijn toekomst, de mogelijkheden van het uitbreken van een oorlog en de gevolgen ervan. Ik begreep toen beter waarom mijn vader mij liever niet als beroeps naar de Marine zag gaan. Er waren tijdens die ijzige oefening in Sennelager (december '69 - januari '70) geregeld momenten, waarop ik nat en verkleumd, in een soort roes nadacht over de nut van dit alles en erg verlangde naar huis. Achteraf gezien toch wel wat schokkend, dat ik op zo jonge leeftijd (21) zo over mijn leven begon na te denken en naar een veilig onderkomen verlangde.

Op stap in Goslar (D)



Met name tijdens oefeningen in het voormalig West Duitsland mochten we een paar keer (!) zomaar stappen. Hoewel, dat was één keer echt stappen, de overige keren met de hele meute onder toezicht. Ik herinner me nog wel een bezoek aan een discotheek in Paderborn. We zijn ook aan de Oost Duitse grens geweest en hebben op een zondag een bezoekje gebracht aan het Duitse stadje Goslar, dat ten zuidoosten van Hannover ligt aan de noordkant van de Harz. Een mooi gebied trouwens. Daar bezochten we een paleis, Kaiserpfalz. In het centrum van dat pittoreske stadje hebben we een terrasje gepakt. Die dag herinner ik me vooral, omdat het prachtig zomers weer was.

Een matennaaier

In groepsverband opereren vergt veel van elkaar. Je moet elkaar kunnen vertrouwen en op elkaar kunnen bouwen. Hoe gek het ook mag klinken, militairen zijn net mensen. En dus zijn er ook militairen, die de zwakke schakels in de groepsketting zijn.
Er kunnen zich situaties voordoen, die de samenhang in de groep onder druk zetten. Het zijn dan de zwakke schakels die aan de druk toegeven. Soms om een wit voetje te halen bij anderen (vaak het kader), soms omdat ze egotrippers zijn en blijven. Ze plegen verraad aan de groep door te gaan praten.  Niet face to face met degene wie het betreft, maar achter diens rug om. Men noemt ze matennaaiers. Lafaards.  Matennaaiers zijn het ergste soort wat je in militaire dienst tegen kan komen. In wezen zijn ze je grootste vijand.
Matennaaiers worden uit de groep gestoten, genegeerd of gestraft. Afhankelijk van de aard van het verraad. Straffen kan op allerlei manieren. Van een wasbak  speciaal tot een blanco-beurt of zelfs een aframmeling. Een matennaaier staat gelijk aan de vijand.
Matennaaiers zijn er ook in de burgermaatschappij. Daar zijn er veel meer. Ik kom ze soms nog tegen. Maar in het algemeen geldt, dat de mannen face to face shit over je uitgieten, maar achter je rug om aardig over je zijn. Heel anders dan in de burgermaatschappij, waar het vaak andersom is.

Roerige jaren 70

Het verzet tegen de dienstplicht nam in de jaren 70 alsmaar toe. Veel had direct te maken met de manier waarop volwassen jonge mannen behandeld werd. Ze waren verstandsloze wezens, die enkel geschikt waren om te doden, niet om (mee) te denken en/of te praten.
Veel dienstplichtigen verenigden zich in o.a. de VVDM. Er waren ook dienstweigeraars, zoals Hagenaar Ron Boot en dienstplichtigen die af wilden van de eed en de groetplicht. Er vond ook desertie plaats. Er werden rechtszaken gevoerd en die resulteerden in vaak belachelijk hoge straffen. Zo werd tegen een dienstplichtig militair tot 16 maanden cel geëist, wegens niet groeten! Zo'n straf krijgt men tegenwoordig niet eens meer voor een moord. Er werden ook jonge mannen goedgekeurd, die eigenlijk afgekeurd zouden moeten worden. Ze kwamen snel fysiek of geestelijk in ernstige problemen. Een aantal overleed tijdens de eerste de beste veldloop. Anderen reageerden heftig met o.a. mishandeling en zelfs doodslag als gevolg. Er werd ook veel spullen en zelfs wapens gestolen. Ondanks de fouten van Defensie bij de selectie en indeling, werden de dienstplichtige 'daders' zwaar gestraft.  Redacteuren van een VVDM blad Luctor(?) kregen ook straf wegens opruiende taal in een ingezonden stuk. Dat stukje was anoniem geplaatst. Ondanks dat de redactie duidelijk had aangegeven niet verantwoordelijk te zijn voor de inhoud ervan, werd ze veroordeeld.

Op onze kazerne in Zuidlaren nam in de zomer van 1970 een chauffeur, Hoefkens, op gedenkwaardige afscheid van een eerste luitenant. De hele kazerne inclusief het bataljonspaard stond aangetreden toen het afscheidsfeest begon. Hoefkens zei in zijn toespraakje, dat de luit, de plaatsvervangend compagniescommandant Geersing, de enige officier in het hele bataljon was, die wij als mens gekend hebben, die mens is gebleven en met wie humaan contact mogelijk was. De rest noemde hij een stelletje dominante machtswellustelingen met dictatoriale trekjes. Het stiekeme gelach van alle aanwezige dienstplichtigen was duidelijk hoorbaar. De beroeps ontploften bijna.
Maar ook Hoefkens werd hard aangepakt en kreeg tien dagen verzwaard arrest opgelegd. Ook zijn beide 'medewerkers' kregen verzwaard arrest. Zo'n 50 anderen uit zijn compagnie werden ook gestraft vanwege hun solidaire houding. Maar het verzet ging voort.
In diezelfde zomer werd een groot aantal YP 408 voertuigen onklaar gemaakt op de JW Friso kazerne in Assen. Pacifisten ('opgejut door de VPRO', verklaarde een van de daders later) hadden suiker en zand (ze hadden niet genoeg suiker meegenomen) in de brandstoftanks gegooid. Ook werden wielmoeren losgedraaid. De weerstand tegen de dienstplicht en het militarisme nam toe.

Overste Elstak

Het is mij twee keer overkomen, dat een besluit genomen door de kapitein, door de overste ( Henk Elstak), teruggedraaid werd.
Zo was ik een keer gestraft omdat ik de kapitein Peters niet had gegroet. Als ik hem wel groette, dan zei hij bits dat dat niet nodig was. Als ik hem niet groette, werd ie kwaad en schreeuwde hij met zijn rood aangelopen hoofd : "Jij moet mij groeten, korporaal!". In zo'n kwaaie bui gaf hij mij een keer strafcorvee. Ik moest het square aanvegen.
Toen ik daar zo aan het vegen was, kwam overste Elstak eraan. Een kleine donkere man met een enorme snor. Ik groette hem (in de houding!) en hij salueerde terug. Toen vroeg hij mij : "Korporaal, wat ben jij hier aan het doen?" Zo'n typische legervraag, terwijl de situatie nogal duidelijk was. Maar omdat ik Elstak wel mocht zei ik :  'Vegen, overste' en dus niet 'ik ben aan het zwemmen, nou goed?'
Toen vroeg Elstak tegen mij : "Wie heeft jou die straf opgelegd?" Ik noemde de naam van de kapitein. Elstak zei dat ik onmiddellijk moest stoppen met vegen en naar mijn kamer moest gaan. Een paar uur later kwam de sergeant van de week mij vertellen, dat ik op de kamer moest blijven om een dag arrest uit te zitten.
Later vroeg ik verlof aan omdat mijn zus ging trouwen. De kapitein wees mijn verzoek af. Een reden wilde hij niet opgeven. Ik heb mijn aanvraag toen naar Elstak gestuurd. Die keurde hem goed. Tot grote ergernis van Peters.

Soms last van wat heimwee

Natuurlijk keek ook ik uit naar het weekend. Lekker weer even naar huis, naar de familie en de vertrouwde omgeving. Ik denk dat ik een paar keer last had van wat heimwee. Dat was tijdens oefeningen met nogal wat ontberingen. Vooral bij kou en nattigheid bij lage temperaturen, als ik als een onderkoelde verzopen kater in mijn puptentje kroop. Dan lag ik toch wel even te mijmeren over hoe fijn het thuis was. Thuis, waar ik na een nat pak gewoon even onder de douche kon gaan en droge kleren kon aantrekken. Thuis waar ik in een stoel voor het raam bij de verwarming kon gaan zitten. Thuis, waar ik geen dikke kleding hoefde aan te houden om warm te blijven.
Van al die gedachten kreeg ik het toch wat warmer. Alsof ik de warmte van thuis voelde. Gelukkig heeft bij mij de heimwee nooit echt hard toegeslagen, zoals bij sommige anderen.

Soldatenliedjes

Oké in het boek "Handboek voor dienstplichtige soldaten b.d." staat inderdaad een soldatenlied. Maar niet het soort dat ik bedoel. Het is een van de nummers die Joop de Knecht populair maakte. Ik herinner me nog dat ik in mijn jeugd een wat gevarieerde tekst zong, die mijn moeder niet mocht horen. Daar stond twee weken huisarrest op. Zo zongen we dus buiten bereik van moeders oren :  "Ik sta op wacht, zonder hemd, zonder broek, en denk aan jou, zonder hemd, zonder broek" enz. De teksten van de liedjes die de dienstplichtigen zongen, waren vaak behoorlijk grof, maar ze klonken er juist daardoor stoer en aantrekkelijker om gezamenlijk rond te bazuinen.

"-Zeg dronken infanterist waar komt gij zo laat vandaan? Ere zij uw naam, ere zij uw naam
Zeg dronken infanterist waar komt gij zo laat vandaan? Ere zij uw naam.
-Van de hoeren, van de hoeren! Is er nog redding voor mij?
-Ja, ja, ja,ja, ja ja, ja! Janus, Hij roept u, Hij roept u voor het Leger des Heils!"

Originele(?) versie :



Dronken infanterist

Zeg dronken Jan van Heutsz, waar kom jij zo laat vandaan?
Ere zij uw naam, ere zij uw naam!
Zeg dronken Jan van Heutsz, waar kom jij zo laat vandaan?
Ere zij uw naam!
Van de hoeren, van de hoeren!
Is er nog redding voor mij?
Ja, ja, ja, ja, ja, ja,ja, Janus hij roept u!
Voor het leger, voor het leger!
Ja, ja, ja, ja, ja, ja,ja, Janus hij roept u!
Voor het leger Des Heils!

Op de loop van het geschut, stond met grote letters.
We gaan naar Zandvoort, we gaan naar Zandvoort!
Op de loop van het geschut, stond met grote letters.
We gaan naar Zandvoort, Zandvoort aan de zee!

Wat doet een soldaat met zijn geld?
Dat brengt hij naar de hoeee....fsmid.
Dat brengt hij naar de hoeee....fsmid.
Wat doet een soldaat met zijn geld?
Dat brengt hij naar de hoeee....fsmid.
De hoeee....fsmid op de hoek!


Wat rustiger ('s avonds tijdens het bivak)  klonk de variant op een bekend Hollands liedje :

 "Op de grote stille heide,
 dwaalt een filler eenzaam rond.
Met zijn pas gepoetste schoenen
zag hij daar een ouwe stomp.
Hoe lang nog gij filler?
Hoe lang nog gij filler?
Hoe lang nog?"

En als het er wat vrolijker aan toe ging :

"Kaatje ging eens water halen
bij een grote diepe put.
Toen kwamen drie soldaten
die grepen Kaatje bij haar k(e)u...
rig net gestreken bloesje!"

Of :

"Wij (of is het Waar?) zijn de meisjes van 't confectieatelier,
Wij willen naaien, wij willen naaien!"

Qua teksten konden ze er nog mee door. Maar met burgers in de buurt moesten we nette liedjes zingen. En dus was het stil.

Teksten waren er ook. Vaak op wc deuren.

Some come here to think,
Some came her to stink,
I came here to scratch my balls
And read the painting on the walls.


God schiep mens en dier,
De duivel de officier.

Aan de verliezende hand

Nu ik wat langer onder de wapenen ben, begin ik te wennen aan mijn omstandigheden. Per saldo is het voor mij wel een geldverslindend nutteloos gebeuren. Oké, ik word zelf weer een ervaring rijker. Het leger zoals ik dat nu meemaak is een achterhaald fenomeen, met ouderwetse, soms hilarische, vastgeroeste ideeën over oorlogvoering. Ik bedoel wie gaat er nou een mitrailleursnest dat zich op en kale heuvel bevindt bestormen?  Dan bel je toch even de maten van de luchtmacht of de mortiergroep? Of met een loodzware houten roeiboot een 'verrassingsaanval' uitvoeren?
Het materieel en de uitrusting is verouderd, storingsgevoelig en niet berekend op de taken. Van de 8 Centurion tanks die op oefening meegingen, waren er binnen drie dagen 6 kapot. De Duitsers in hun Leopards stoven lachend voorbij. Ik zou me bijna spontaan gaan camoufleren om het schaamrood op mijn kop te bedekken. En waarom mij gezegd wordt dat ik me moet scheren en mijn schoenen moet poetsen terwijl ik onder hevig vijandelijk vuur lig, is me ook een raadsel. Of bestaat de vijand soms louter uit vrouwelijke soldaten? Doe mij maar meer munitie. En dan al die strikt tijd gebonden zaken. Of zijn dat afspraken met de Rooie Rakkers? "Jongens, dit weekend niet aanvallen hoor, want we hebben  verlof!" Iedereen weet wanneer ie over het hek kan, omdat de rondes van de wacht ook op vaste tijdstippen plaatsvindt en publiekelijk bekend zijn.
Wie een oorlog wil winnen, moet goed gemotiveerde militairen hebben. Maar aan psychische begeleiding wordt niets gedaan. Zelfs niet na ernstige incidenten. Eerder het tegenovergestelde : het komt allemaal erg demotiverend over. Kortom, zonde van al dat geld en de tijd. Nog twee maanden. Misschien ben ik dan vrij.

Aan de drank

Mijn cola vlug even geruild voor een pilsje...
Zelf was ik niet zo'n drinker. Van alcohol werd ik slap en slaperig. Dus dat schoot niet op. Ze hebben me wat dat betreft vaak genoeg uitgeprobeerd. Als er gedronken was werd in de meest fatsoenlijke situatie met een vuilnisemmer naast het bed geslapen. Er waren ook maten die uit bed gingen op zoek naar de wc. Die konden ze dan niet vinden. Ze trokken dan een kastdeur open om enigszins verdekt de maag of blaas te legen. Van goed richten was natuurlijk geen sprake. Vaak dacht ik dan : "Wat die hij daar nou? Dat is zijn kast helemaal niet!"
Later lapten we wat geld bijeen om een eigen bar te maken. De Compagnies bar bevond zich op zolder.  Daar was het leuk toeven de laatste maanden. Maar voor we afzwaaiden moest de boel weer afgebroken worden, zodat de volgende lichting er weer een kon installeren. Geheel dus volgens het ambtelijke systeem : geldverslindend nutteloos gedoe.

Een getuigenverklaring


Tijdens een oefening brak een stoeipartij uit tussen de manschappen van onze groep. Hierbij werd geprobeerd onze groepscommandant in een sloot te gooien. In een poging dit te voorkomen, greep hij zich vast in het gras. Maar helaas lagen daar scherven van een kapotte fles. Gevolg was dat hij een paar pezen van zijn vingers doorsneed. Omdat we op oefening waren gingen wij er vanuit, dat de dienstplichtig sergeant direct weg zou gaan om naar een ziekenhuis vervoerd te worden. Maar de kapitein verbood dat. De sergeant moest nog maar een paar dagen wachten, dan zouden we immers terugkeren naar de kazerne.
Na aankomst in de kazerne bleek dat de pezen niet meer gehecht konden worden. De sergeant was veel te laat gekomen. Later heeft de (inmiddels afgekeurde) sergeant een claim ingediend en daarbij de gang van zaken beschreven. Wij hebben als groepsleden een getuigenverklaring ondertekend, wat ons niet in dank werd afgenomen door de kapitein. Hij wilde dat we die verklaring zouden intrekken, zodat ook dit voorval gewoon in de ambtelijke doofpot zou belanden. Maar dat hebben we dus niet gedaan.

Gestraft

"Korporaal! Hier komen!",schreeuwt de luitenant. Ook hij is net als ik op herhaling. We zitten dit keer in Ossendrecht, bij het 51 ste Infanteriebataljon. Bijna de hele compagnie van het 44ste Painfbat lichting 69-4 is in januari 1973 op herhaling, dus ik zie weer veel oude bekenden. De luit was in 1969 dienstplichtig vaandrig. Als ik voor de luit sta, vraagt hij bits : "Waar is je naamplaatje?!" Ik voel met mijn hand in mijn nek, waar niets zit en antwoord :  "Zeker ergens verloren". Dan haalt hij zijn hand van achter zijn rug vandaan en houdt hij een kettinkje met de hondenpenning voor mij gezicht. Terwijl het plaatje voor mijn neus heen en weer bungelt, snauwt hij  : "Jij was het dus gisteravond". Tja, gisteravond. Of eigenlijk 's nachts. Omdat de luit zo fanatiek begon tijdens de opkomst, hadden we hem met z'n drietjes te grazen genomen op de hei, tijdens een nachtoefening. Terwijl we hem vastbonden had ie als een mager varken gegild, de schijtluis. Toen heeft ie blijkbaar die hondenpenning van mijn nek getrokken. "Als je me de namen geeft van die andere twee, krijg je maar één dag verzwaard arrest", probeerde hij, "en anders drie!"
Het werden er dus drie. Na een dag kwam ie weer langs om even bij te praten. Toen heb ik hem maar verteld waarom we het gedaan hadden. Hij moest er toen wel een beetje verlegen om lachen. Als een boer met kiespijn. De luit schold mij de resterende dagen toen maar kwijt.

Een koude douche

We gingen dus heel vaak op oefening. Meestal in (West) Duitsland. Zo zijn we een paar keer in de buurt van Bielefeld geweest. De eerste keer was hartje winter. We sliepen met z'n tweetjes in een puptentje. Elke dienstplichtige had een half tentje en met z'n tweeën hadden we dus één hele. De enige goede rekensom, die ik in die 1,5 jaar had  geconstateerd. In zo'n compleet tentje sliep je dan met je holmaatje. Het vroor in die maand januari 1970 gemiddeld 15 graden. Wassen of douchen ging dus niet. Alles bevroor, ook je kleding en veel voeten. En bij sommigen zelfs de hersens naar later zou blijken. Maar na twee weken kregen we de kans om ons te douchen. We moesten er wel in veldloop naar toe. Dus dat was 10 km hardlopen. We kwamen bezweet, maar opgewekt aan bij een boerenschuur, waarin een aantal metalen leidingen was opgehangen, met hier en daar iets wat op een sproeier leek. Een oude man met soldatenpet op bediende de met hout gestookte verwarmingsketel. Toen we die ouderwetse installatie zagen, zei een van de maten tegen die oude Duitser : "Was kommt d'raus? Gas oder Wasser?" Die oude baas werd zo woedend, dat hij tierend een emmer water in die kachel smeet, het overgebleven hout in een kruiwagen gooide en wegstiefelde. Niet veel later stonden we klappertandend onder een ijskoude douche. Niet iedereen, want tussen al die zandhazen bleken toch ook een paar mietjes te zitten.

Op een rij

Voor elke oefening die een aantal dagen duurde, werden latrines gegraven. Dat waren geulen, waar je boven moest zitten of staan om je behoefte te doen. Meestal lag er een lange plank met zo'n zestal ronde gaten waar je je kont in kon laten zakken. Op de kazerne hadden we die ook in kleinere uitvoering om glazen bier mee rond te brengen. Vaak lagen er twee rijen planken met gaten naast elkaar, zodat je met de rug tegen elkaar zat. Na het eten, hoe kan het ook anders, was het steevast : "Schijten!" geblazen. Dan gingen we gezamenlijk naar de latrine, in groepjes van zo'n 12 man. Sommigen namen leesvoer mee, anderen rookgerei of snoepwaar en/of alleen maar een mond vol rare verhalen. Dan zaten we gezellig naast elkaar en luisterden we naar elkaars kontgeluiden en maakten daarbij complimenterende opmerkingen zoals: "Die klonk goed Willem! Jullie Indo's hebben ook van onderen muzikale kringspieren!" of "Hé had jij hachee bij je andijvie?" of gewoon :"Wat zeg je?" En als het niet zo direct lukte met de stoelgang kreeg je een goed advies, waarvan de best scorende : "Denk eens aan je schoonmoeder" was. De werkdag werd natuurlijk ook doorgenomen als ook veel belangrijkere zaken. Privé zaken dus. Tussendoor ging de shag en snoepzak rond. Het latrine ritueel werd steevast afgesloten door Bertus, die een stukje voorlas uit één van de vele Donald Duckies die hij meenam. Dat ging gepaard met veel dubbelzinnige, vaak puberale opmerkingen. Aan het eind van de lezing scheurde Bertus de bladzijden er één voor één uit en gaf deze met zijn zegen aan de maten door. Die bladzijde was om de kont mee schoon te vegen. Zo'n dagelijkse bijeenkomst was altijd een warm en gezellig gebeuren. Goed voor de teambuilding dus.

Oorlogje spelen

 We zijn inmiddels al weer een tijdje ouwe stomp. In november 1970 zwaaien we af. Het is al een stuk rustiger geworden, wat oefeningen betreft. Vandaag gaan we als vijand tegen een stel oliebollen van de jongste lichting aan de slag. We gaan naar Anloo. Omdat we precies weten, wat die oliebollen te horen krijgen (we hebben zelf immers ook die opleiding gedaan) stemmen we onze tactiek daar op af. We besluiten geheel af te wijken van de standaard werkwijze. Dus we klimmen met onze wapens de bomen in en gaan dus niet ergens langs de route verscholen op de grond liggen.
Na een tijdje krijgen we het bericht, dat de oliebollen eraan komen. En ja hoor, als we naar beneden kijken, zien we twee verkenners in hun nieuwe uitrusting aankomen kakken. Ze kijken goed om zich heen, maar niet naar boven. Want dat is hen niet geleerd. Een eind verderop geven de verkenners het teken "volgen". Even later komt de rest van de meute aan lopen, met een sergeant helemaal achteraan. We wachten geduldig tot de laatste man onder ons doorgelopen is. Dan breekt de hel los. De mannen in de bomen openen het vuur op het peloton oliebollen. "Vijand op 6 uur!! Dekken, dekken!!"schreeuwen de sergeanten. Het complete peloton wordt afgeschoten, inclusief twee sergeanten.

De sergeanten zijn woest. Niet op hun oliebollen, maar op ons. "Dit is niet de afspraak!", briest één van hen naar boven. "We doen dit over en kom onmiddellijk uit die bomen", schreeuwt hij kwaad. "Hé, het is toch oorlog! Jullie hebben verloren!", waagt één van ons triomfantelijk te roepen. Maar de beide sergeanten kunnen niet tegen hun verlies. "Jullie gaan op rapport als je niet doet wat  ik zeg", dreigt een van hen. Als we weer op de grond staan, gaat het spelletje opnieuw beginnen. Maar nu zoals de sergeanten het willen, zodat ze kunnen winnen.

Slag gewonnen

Gelukkig brak verder in het jaar 1970 een goede zomer aan en gingen we weer voor een paar weken naar (West) Duitsland. Het voordeel van al die oefeningen is, dat de tijd voorbij vliegt en je niet op de kazerne hoeft rond te hangen. De oefening Big Ferro ( of was het Ferro Plus?) werd regelmatig onderbroken, omdat het zacht geworden asfalt door de zware voertuigen vernield werd.
We reden alles omver wat in de weg stond om onze gevechtsposities in te nemen. Zo gebeurde het dat we in de omgeving van Syke met de YP een complete muur plat reden, omdat we niet twee meter meer naar links mochten staan. Ook reden tanks en pantserwagens pardoes de akkers op, waar de gewassen op de oogst stonden te wachten. Achter ons aan kwam een schade-expert, die de onnodig aangerichte schades opnam. Tijdens die oefening moesten we o.a. de rivier de Weser oversteken in zogenaamde aanvalsboten. Dat waren
ordinaire zware houten roeiboten, die we op het pantservoertuig meenamen. Gevolg was, dat met dat warme weer de luiken niet open konden. Het weekend, in het plaatsje Syke, brachten we door met het onderhouden van onze uitrusting inclusief de wapens. In dat bewuste weekend hadden we mot met de legerleiding. We mochten niet afhangen (= in gemakkelijker outfit rondlopen). Maar toen we dreigden Big Ferro in de soep te laten lopen, door maandag niet te roeien maar ons in die boten gewoon de Weser af te laten drijven, kregen we alsnog toestemming om af te hangen. Onze eerste overwinning op het kader, dat zich steeds meer begon te realiseren dat hun succes afhing van onze inzet en motivatie.

Afgestraft

Het is vrijdagmiddag. De week is voorbij gevlogen. Op de kamer hebben we de wekelijkse inspectie voor de bedden. Alle kasten en bedden worden gecontroleerd. Hier en daar moet er nog wat recht gestreken worden. De vaandrig, afkomstig van de KMA in Breda, doet zoals gewoonlijk op fanatieke wijze zijn best. Hij heeft de gewoonte om ons flink te sarren en uit te dagen met zijn arrogante grote bek. Dankzij hem hebben we heel wat straf uren op de stormbaan doorgebracht of gewoon in de stromende regen gestaan. Als een kledingstuk niet goed gevouwen is, trekt hij de hele kast om. Wie ingaat op zijn pesterijen, zit het weekend vast. Als hij bij de kast van soldaat Stoffer*) komt, trekt hij een foto van de binnenkant van de deur af. Vervolgens gaat hij voor de soldaat staan en vraagt : “Is dit spook soms van jou?”, terwijl hij de foto van diens vriendin grijnzend voor hem houdt. Als in een flits grijpt Stoffer in zijn kast en drukt de vaandrig een bajonet op de keel. De punt steekt in zijn strot. Er stroomt een beetje bloed over zijn puntige adamsappel. Stoffer’s ogen puilen uit. Hij bijt de vaandrig zacht, maar voor iedereen  hoorbaar toe : “Als je nog één keer zoiets flikt, snijd ik je strot af!” De anders altijd zo stoere vaandrig stottert uit zijn anders altijd grote mond zachtjes “Ja”. Tussen zijn glimmende zwarte schoenen zie ik een druppels bloed op de grond verschijnen. De man met de grote bek is zowaar een angsthaas geworden! Op een rustige manier doet Stoffer zijn bajonet weer terug in de kast en gaat weer in de houding staan. De vaandrig rent de kamer uit. Na vijf minuten wachten gaan we naar buiten, naar het plein voor de eind inspectie. De vaandrig, die net met zijn stage was begonnen bij ons op het peloton, hebben ik daarna nog één keer gezien. Met een grote pleister op zijn strot stiefelde hij over het square.

*) naam veranderd 

In de soep

De groep waarvan ik deel uitmaakte, de Bravo groep, bestond uit een aantal geweerschutters (vd Brink, Van Tessel, Werkman en ik), een radioman (Dollekens), een MAG duo (Bakker en Fien), een boordschutter (Hoek), een chauffeur (v.d. Hoeven) en een groepscommandant (Oortman). De laatste was een dienstplichtig sergeant, die na enige tijd vertrok. Hij had op oefening zijn hand opengehaald aan een stuk glas, tijdens een stoeipartij. Als plaatsvervangend commandant, moest ik zijn plek innemen. Gelukkig maar, want onderin die YP was ik altijd wagenziek. Nu moest ik achter de chauffeur in het geopende luik gaan staan. Lekker in de buitenlucht.
't was koud
Met één van de geweerschutters, Bertus Boersma, sliep ik in een puptent tijdens de oefeningen. Bertus was een zeer bleke jongen (of was ik nou zo bruin?) met rood haar en een bril. Hij had een vooruitstekende kin en een wat ingevallen gezicht. Bertus beschikte over een scheerapparaat op batterijtjes, waarmee hij elke ochtend zijn rode stoppels van zijn witte gezicht maaide. Bertus was weliswaar een rustige en vooral serieuze jongen, maar hij deed gewoon mee met de rest. Eigenlijk moest dat ook wel, anders werd je dagelijks te grazen genomen.
Tijdens een oefening in Duitsland, kropen we zoals gewoonlijk weer vroeg in de slaapzak. We konden het altijd goed met elkaar vinden, ook al vertelde hij nauwelijks iets over zijn privé leven. Het was hartje winter en de temperatuur daalde 's nachts tot zo'n min 20 graden. We hadden een
gasbrandertje bij ons, waarmee we de tent verwarmden. Dat ding werd heel even aangestoken, omdat we maar één reserve tankje hadden. Op een avond besloot Bertus even wat tomatensoep in zijn metalen mok op te warmen. Terwijl ik vanuit mijn slaapzak naar zijn kookkunst lag te kijken, viel de mok dampende soep van het brandertje. Bertus vloekte de puptent bol en schold alle dieren uit het bos van Sennelager. Toen begon hij met zijn lepel de soep van zijn slaapzak te schrapen. "Laat maar lekker liggen, man" zei ik, "morgenochtend kan je het er zo vanaf schudden".  En dat was ook zo. De volgende dag sleepte Bertus zijn slaapzak naar buiten, klopte wat met de zak en de bevroren plakken soep vlogen er vanaf. Die werden weer keurig in een messtin gedaan. Voor de komende avond als ie weer een poging 'soep eten in je slaapzak' zou ondernemen.

Help, Mio inspectie!

Het begon vaak een paar dagen van tevoren. Dan liep de spanning op de kazerne merkbaar op. Er kwam inspectie. Niet zomaar een inspectie, maar een MIO inspectie! Het vreemde was wel, dat niemand mij wist te vertellen waar MIO voor stond. Maar goed, het was een inspectie van hoog niveau. Dus werd er gepoetst, geboend, geolied en geschrobd. Maar niet dat alleen, de parate kennis moest ook weer opgegraven worden. De hele week was de spanning op de kazerne voelbaar. Kader reageerde geprikkeld en voor je het wist zat je wegens een futiliteit achter de wacht. Achteraf bleek het zo'n typisch ambtenaren feestje te zijn. Je kent dat wel : elkaar oren aannaaien of eigenlijk 'maten naaien'. Je eigen collega ambtenaren een loer draaien.
Maar dan met zo'n boekje, waar allerlei regeltjes in staan. Want wie schrijft, die blijft. En flink staan juichen omdat ze iets gevonden hebben, wat volgens dat boekje niet klopt. Wij deden dan weliswaar oefeningen binnen het kader van de Koude Oorlog, maar zo'n MIO inspectie was pas echt oorlog. Leuk om als dienstplichtige naar te kijken. Meer niet. Want als de MIO inspectie goed verlopen was, werden wij niet op het feestje uitgenodigd. Maar ach, het waren ook geen vriendjes van ons.